Zalig

Leo Vroman overleed in 2014. Tot twee weken voor zijn dood schreef hij gedichten.

Zalig om straks as te wezen
en mijzelf uiteen te vegen,
los van vragen, vrij van vrezen.
De lokale wind en regen

waaien vredig door mij heen.
In dat sissende geluid
druk ik mij dan anders uit.
Ik word iets anders dan alleen.

Maar hoe leer ik zoek te raken
en tussen zoveel andere wolken
aan mijn afwezigheid te wennen?

Zal ik eerst slierten van mij maken,
daarmee langs een spiegel kolken
en mij niet herkennen?

april 2012

Zes lege werkkamers. Daar begint ieder hoofdstuk van Katie Roiphe’s boek ‘Het uur van het violet’ mee. Zij beschrijft zes grote denkers/schrijvers/kunstenaars in hun laatste dagen: Susan Sontag, Sigmund Freud, John Updike, Dylan Thomas, Maurice Sendak en James Salter.

De hoofdpersonen gaan allemaal anders om met hun naderende dood. Maar ze hebben 1 ding gemeen: ze willen allemaal werken tot aan hun laatste snik. Vroman zou wat dat betreft niet misstaan in het rijtje.

Je zou zeggen: waarom lees je in je vrije uren ook nog over de dood? Ja waarom. Misschien omdat in het licht van de dood, zo duidelijk wordt waar het om gaat in het leven. Of omdat het zowel beangstigend als rustgevend is dat wij allemaal vroeg of laat die weg gaan.

Katie Roiphe heeft haar eigen redenen waarom ze dit boek schrijft; dat vertelt ze in de proloog.

Hoe dan ook. Het zijn prachtige portretten geworden. Het leven spat ervan af.

Nestgeur

Vanavond bracht ik Siem naar bed. Nog even napraten. Zijn eerste vakantieweek was een groot avontuur: hutten bouwen in Gouda oost. Timmeren, spelletjes, verven, een hutbegeleidster met een angst voor spinnen door een ‘slechte ervaring’ aldus mijn zoon. Hij had de hooiwagen vakkundig weten verjagen.

’t Is te laat voor een verhaal. Een liedje kan nog wel. Zelfs als je 8 bent is zo’n vals liedje van je moeder nog wel fijn voor het slapengaan. Hij snuffelt aan mijn nek. De geur van je moeder. Daar slaap je toch het beste op.

LIEDJE VAN VERLANGEN (Chawwa Wijnberg)

Bij zacht warm moederwijf in bed

en luisteren naar

beschuit en kruimelend gesprek

haar kussens, borsten, buik, mijn

bruine benen warm, de geur

van warme, warme zachte Mam en

het verend grotemensenbed

de zonse zondagochtend lang

lui opstaan met

de koffie klimt al in de gang

en in de keuken

roostert zich het brood

moeders moeders mogen nooit

nooit dood 

De ideale dood

Als je vijf minuten over hebt: kijk eens naar dit prachtige Disney filmpje uit 1929. En vraag je dan af: hoe ziet jouw ideale dood eruit?

Misschien hoop je dat je gezond mag doorleven tot je 100e, en dan een pijnloze snelle dood sterft.  Dit zou volgens filosofe Marly Huijer helemaal passen in het moderne ideaal  van ‘rechthoekig sterven’. Maar de realiteit is anders: de aftakeling begint meestal kort na ons pensioen en duurt dan zo’n 15 jaar. Ik las haar boek ‘De toekomst van het sterven’, en ik ben het nog aan het herkauwen.

Ze introduceert een Amerikaanse bio-ethicus die jaren geleden vaststelde dat hij vanaf zijn 75e alleen nog maar naar de dokter zou gaan bij pijn, niet meer voor levensverlengende behandelingen. Betekenisvolle relaties maken het leven de moeite waard, zegt Huijer. Daarom hebben heel oude mensen er vaak geen zin meer in: al hun dierbaren zijn inmiddels gestorven. Waarom willen we zo lang mogelijk leven? Met humor stelt zij onze obsessie met risico-vermijding en lijfbehoud aan de kaak: “Aan een hartaanval op straat doodgaan dan lukt je haast niet meer. Overal hangen AED’s waarmee ze je zo reanimeren” 

Hoe verhouden we ons tot de laatste levensfase? Bereiden ziektes en aftakeling ons voor op de dood? Is de zorglast van de laatste levensfase nog op te brengen als de hele samenleving ouder wordt? Bestaat er zoiets als een juist moment van sterven?

Tijdens het lezen van dit essay realiseerde ik mij weer eens: filosofen zijn belangrijk; zij stellen wezenlijke en prikkelende vragen. Dit is eigenlijk zo’n boek dat je wilt nabespreken omdat het uitnodigt tot gesprek. Voor wie in de buurt is: kom het bij me ophalen en leest het voort! Doen we daarna een kop koffie.

Elvis

Annette en Leonie hadden een lief cadeau voor me bedacht voor mijn verjaardag in januari: een workshop over Frida Kahlo. Helaas moest ik verstek laten gaan vanwege het welbekende virus. Maar mijn vriendinnen zijn niet voor een gat te vangen; ik mocht alsnog een film uitkiezen in mijn favoriete bioscoop Lantaren Venster.

Ik poch er graag mee: mijn geboortedag 8 januari heeft iconische figuren voortgebracht. Ik noem David Bowie, Stephen Hawking en Elvis Presley. Dus toen ik las dat Elvis donderdag in premiere zou gaan, moest het zo zijn. 

Daarom storten we ons gister ruim tweeënhalf uur lang in het hysterische leven van the King of Rock and Roll. Regissseur Baz Luhrmann maakte eerder Moulin Rouge en Romeo en Julia. Geen gelaagde personages of emotionele diepgang, maar een uitbundige muzikale show-movie. Ik werd lichterlijk high van de goedkope aftershave waarmee de man voor mij zich rijkelijk had besprenkeld maar dat paste op de een of andere manier wel bij de film.

Maar jongens. Wat een muziek en wat een acteur (Austin Butler) met zijn rythm and blues, losse heupen en zwoele blik. En als je dan aan het einde van de film de echte Elvis zijn laatste optreden ziet geven als getroebleerde 42-jarige, moet je toch even slikken.

Plastic tas

Acht jaar lang heb ik gewerkt als maatschappelijk werker. Onderstaande foto was op mijn laatste werkdag in 2011. Ik heb het altijd erg naar mijn zin gehad in de hulpverlening. Fantastische collega’s en kleurrijke clienten.

Sommige clienten blijven je bij. Zoals Aad. Aad liep niet, hij huppelde. Hij had jaren als manusje van alles bij een bouwbedrijf gewerkt totdat hij gereedschap tegen de muur had gekeild in een driftbui. Hij raakte zijn baan kwijt, begon steeds meer te drinken en kwam in de schulden. Aad kwam tweewekelijks met zijn Bas-van-der-Heijden-tas vol papieren naar me toe. Ik hielp hem richting schuldhulpverlening. Aad bleef optimistisch. Als ik vroeg of hij wat te eten had voor die avond zei hij: O, ik heb nog macaroni met een flinke pets ketchup. 

Ik moest aan Aad denken toen ik Ilyas las van Ernest van der Kwast. 

Deze roman gaat over een Rotterdamse museumconservator die zowel qua werk als prive in een crisis zit. Aan de keukentafel raakt hij in gesprek met zijn Bulgaarse schoonmaakster die haar eigen sores heeft. Hij gaat haar helpen. Maar al snel blijkt de schoonmaakster niet de enige met problemen in de stad. De conservator ontdekt de wereld van de plastic tas vol schulden, het CAK en de keuzemenu’s bij de belastingdienst.

Ik heb de roman met plezier gelezen. Van der Kwast stelt de kloof tussen arm en rijk aan de kaak. Daarnaast beschrijft de eenzaamheid van een huwelijkscrisis en de zoektocht naar zingeving van de moderne mens. Zijn stijl is lichtvoetig en geestig, maar steeds met die schurende ondertoon.