Gisteren verzilverden wij een cadeau van lieve vrienden voor ons huwelijks-polderfeestje vorig jaar. Een volledig verzorgde trip met z’n zevenen in een camperbus naar de Verbeke Foundation in Kemzeke, dichtbij Antwerpen.

Het is moeilijk uit te leggen wat de Verbeke Foundation is; een binnen- en buitenmuseum met een private kunstverzameling. Ik heb het ervaren als een kunst-speeltuin, een Alice in Wonderland-gevoel.

Van een ruimte vol schitterende torso’s, koppen en mallen, kom je in een Riviera-hal met bemoste automobielen, naar een hal vol duizelingwekkende collages en een paviljoen vol absurde bewegende opgezette dieren.

Erg onder de indruk was ik van de groep paarden van Ronald de Winter. Ergens tussen de bomen doemden zij op als zwart geblakerde half vergane wezens. De natuur vreet ze langzaam op. Aftakeling, vergankelijkheid, ontroering.
Onderstaand gedicht van Rutger Kopland kwam in mij op. Het was een wonderschone fantasietrip.

Zelfportret als paard
Toen ik nog een paard was in een weiland
ik moet hebben gewoond in zijn lichaam
in zijn ogen hebben gezien wat hij zag
dat dit leven nooit zou beginnen, noch
ooit zou ophouden, noch zich herhalen
ik moet zijn lichaam hebben verlaten
en mijn herinneringen bleven in hem achter
U staat bij het hek van een weiland en u
ziet aan de andere zijde een paard
nader het, spreek het toe, kijk het aan
dank u, het zal naar u luisteren, u aanzien.