Wat loop je nou te lachen

“Van die gozer met z’n peen-en-uien-gezicht moet ik naar de budget-tering” 

Toen ik als 19-jarige student maatschappelijk werk in het Havenziekenhuis stage liep, maakte ik voor het eerst kennis met de ras-Rotterdammer uit het oude noorden. Hoewel ik als groentje uit de polder wel even moest wennen, was ik snel verkocht.  Harde werkers met het hart op de tong. 

Toen er werd gevraagd welke collega’s op een locatie in Crooswijk wilden gaan werken die Laurens zou gaan overnemen, heb ik daarom gesolliciteerd. Het oude noorden heeft mijn hart. Ik heb een tijdje bij mijn vriendin op de Bergweg gewoond en heb heel wat heen en weer gefietst tussen de mijn latere huis aan de Stadhoudersweg en de Bergweg.

Sinds januari mag ik in Rubroek, een verpleeghuis in volkswijk Crooswijk, de dienst geestelijk verzorging gaan vormgeven, samen met een collega. 

Ik blijf op mijn vertrouwde locatie Liduina in Hillegersberg, maar iedere dinsdag fiets ik nu de andere kant op vanaf station noord. Via de Zwart Janstraat naar de Crooswijksekade om daar vanachter een mondkap begroet te worden door de bewoners in de hal:

“Wat loop je nou te lachen?” 

Het zoutpad

Ik hou van wandelen omdat het langzaam gaat, ik heb het vermoeden dat de geest, net als de voeten, met een tempo van zo’n vijf kilometer per uur functioneert. Als dat zo is, beweegt het moderne leven sneller dan de snelheid van het denken, of de bedachtzaamheid.  – Rebecca Solnit

Er kan een heleboel niet in deze crisis, maar premier Rutte heeft in april gezegd dat wandelen kan en mag, want ‘Wandelen is goed voor iedereen’.

Op aanraden van mijn moeder las ik ‘het Zoutpad’ Het is het indrukwekkende en inspirerende reisverslag van de 50-jarige Raynor Winn en haar man Moth. Binnen een week tijd verliezen ze hun boerderij en al hun bezittingen. Tot overmaat van ramp krijgt Moth te horen dat hij een levensbedreigende ziekte heeft. Wanhopig, ziek en berooid besluiten ze met een klein tentje en twee rugzakken te gaan wandelen. Het oeroude South West Coast Path. 

Wat volgt is een tocht van ruim 1000 kilometer langs de ruige kust van Engeland; hitte, kou, regen, honger, dorst, smerigheid, pijn en heel veel afkeurende blikken. Want: vies, dakloos, arm. 

Ik heb het ademloos uitgelezen. De cadans van het pad neemt ook als lezer bezit van je.

Wat mij -als schijtlaars en comfort-prinses- het meest raakte was de staat van dakloosheid. Het idee dat je geen huis hebt waarnaar je kan terugkeren. Alleen een klamme koude tent. Het verlangen, ook als lezer, dat je zelfs van een houten schuur of een strandhuisje een huis zou willen maken.

Uiteindelijk beschrijft Winn prachtig de louterende werking van de reis, de verbondenheid met de natuur en de solidariteit tussen twee mensen die van elkaar houden. En het is bovenal een ode aan het wandelen; gewoon de ene voet voor de ander zetten en het pad volgen. 

Wandelen is goed voor iedereen. Ook voor de schijtlaarzen en comfort-prinsessen onder ons. 

Voor alle engelen

Deze flashmob van precies een jaar geleden lijkt wel uit een ander tijdperk..

Ik vind het een ontroerend filmpje. Zo’n mevrouw in roze jas die met een klein gebaar het verschil maakt en een geweldige huldiging ontketent. Misschien ontroert het me nog wel meer omdat ik het samen-zingen en samen-beleven mis na een jaar sociale onthouding.

De kerstvieringen hebben we helaas moeten annuleren in Liduina. Wel zal ik morgen op de huiskamers muziek laten horen en poëzie lezen, onder andere onderstaand gedicht ‘Over Engelen’ van Czeslaw Milosz. Voor alle engelen op de wereld.

Uw witte gewaden zijn u afgenomen,
en uw vleugels en zelfs uw bestaan,
ik echter geloof in u,
Boodschappers.

Daar waar de wereld binnenstebuiten is gekeerd,
een zwaar weefsel, geborduurd met sterren en dieren,
wandelt u en inspecteert de steken die de waarheid zeggen.

U verblijft hier kort, ik denk,
in de vroege ochtendstond, als de hemel schoon is,

In een melodie die door een vogel wordt herhaald
of in de geur van appels tegen de avond,
wanneer het licht de boomgaarden betovert.

Men zegt dat iemand u verzonnen heeft,
maar mij overtuigt dat niet,
want de mensen hebben ook zichzelf verzonnen.

Uw stem- dat is wel een bewijs,
want het is ontwijfelbaar de stem van stralende wezens,
licht, gevleugeld (waarom ook niet?),
met bliksem omgord.

Ik heb menigmaal die stem gehoord terwijl ik sliep
en, wat meer verwonderlijk is, ik begreep min of meer
zijn bevel of roep in een bovenaardse taal:
het is dadelijk dag,
weer dag,
doe wat je kunt.

Nachtzoen

Deze week rondde ik het vak Rituele Expressie aan de Radboud Universiteit af. Helaas geen fysieke colleges of laboratorium, maar online les van hoogleraar en benedictijn Thomas Quartier. Ik wilde me vooral bekwamen in het leiden van een ritueel (zoals een ziekenzalving) en ermee vertrouwd raken.

Met twee medestudenten maakte ik een online rituele viering met als thema ‘de nacht’ voor een ziekenhuis. Het past mooi in de Adventsperiode waar de nachten alleen nog maar langer worden. Ik heb zelf een haat-liefde verhouding met de nacht. De laatste tijd slaap ik heerlijk, maar ik ken de onmacht van slapeloosheid maar al te goed. Ik was geïnspireerd door een filmpje uit de nachtzoen met Aart Staartjes:

In de nacht kun je besprongen worden door angsten en demonen. Tegelijk is de nacht ook de tijd van verstilling en reflectie. Wanneer je kijkt naar de sterren en de maan word je geconfronteerd met je kleinheid, en de grenzen van je verstand. Het biedt ook ruimte voor het mysterie, dingen die we niet zien of begrijpen, maar die er misschien wel zijn. 

Terugkerend motief in de viering was lied 391 uit het Liedboek van de Kerken. Het is een bewerking van het bekende Duitse avondlied Der Mond ist aufgegangen. Ik vind het prachtig en het gaat precies daarover.

Ziet Gij de maan? De schone

wil zich maar half vertonen

Toch is hij er geheel.

Zo zijn er grote zaken

Waar wij geen ernst mee maken

Ons oog ziet enkel maar een deel

Normale mensen

Sally Rooney (1991), schreef de veelgeprezen roman ‘Normale mensen’. De Guardian spreekt over ‘de stem van de nieuwe generatie’. 

Als veertiger, word je dan toch nieuwsgierig.

De roman vertelt de intense liefdesgeschiedenis van twee klasgenoten -Connell- een knappe populaire jongen uit een arm milieu- en Marianne, een outsider uit een rijk kil gezin. Ze krijgen wat met elkaar, maar houden het geheim. In de jaren die volgen hebben ze een knipperlicht-relatie; ze zijn beste vrienden maar altijd is daar die fysieke aantrekkingskracht die relaties met anderen bemoeilijkt. 

Rooney schrijft meeslepend en ik heb het boek met plezier uitgelezen. En toch begrijp ik de superlatieven uit de recensies niet zo goed. Alles draait om de twee hoofdpersonen en het gedoe tussen hen. Bovendien blijven de bijfiguren vlak en karikaturaal. 

Het boek appelleert zonder twijfel aan de opwindende periode van de adolescentie, je eerste liefdes; de tijd dat alles nog openligt. Misschien speelt dat heimwee-gevoel recensenten parten.  

En misschien moet ik op mijn beurt toegeven dat ik oude mensen en hun perspectief interessanter vindt. Maar misschien is dat geen nieuws ..

Ik houd meer van oude mensen.
Ze zitten naar ons te kijken en zien ons niet.
Ze hebben genoeg aan zichzelf,
als vissers langs grote rivieren,
stil als stenen
in de zomernacht.
Ik houd veel van vissers langs grote rivieren
en bejaarden en zij die na een lang ziekbed
weer naar buiten gaan.
 
Er zit iets in hun ogen
wat de wereld niet meer ziet,
de oude mensen, als herstellenden
wier voeten nog niet sterk genoeg zijn
hun voorhoofd bleek als na hoge koorts.
 
De oude mensen
die langzaam weer zichzelf worden
en langzaam oplossen,
als een nevel, ongemerkt gaan ze over
in slaap
en licht.

Rolf Jacobsen (1907-1994)
vertaling Amy van Marken